1. Inleiding

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 1. Inleiding

In deze paragraaf staat de gemeentelijke financieringsfunctie centraal en de beheersing van bijbehorende risico’s. De gemeentelijke treasuryfunctie voert financiële taken uit binnen de kaders van de Wet financiering decentrale overheden (fido) en het treasurystatuut. Allereerst wordt in deze paragraaf ingegaan op de toekomstige financieringsbehoefte en komt de bijbehorende renteverwachting aan bod. Hierbij wordt ingegaan op de balansprognose en het verwachte EMU-saldo. Ten slotte worden de verschillende risico’s en de beheersing hiervan behandeld.

2. Financiering

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 2. Financiering

2.1 Marktontwikkelingen en rentevisie

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 2.1 Marktontwikkelingen en rentevisie

Rentevisie: Gezien de recente rentedalingen vanuit de ECB (Europese Centrale Bank) en de algemene verwachting dat de rente in 2025 verder gaat dalen, is de rente met betrekking tot de nog aan te trekken gelden naar beneden bijgesteld. Voor de tarieven op de geldmarkt (leningen korter dan een jaar) wordt veelal gekeken naar het rentetarief dat banken elkaar onderling berekenen (de Euribor) en voor de kapitaalmarkt (leningen langer dan een jaar) naar de rente op staatsleningen. Over het algemeen geldt dat de rente hoger wordt bij een langere looptijd van de lening.

2.2 Renteschema

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 2.2 Renteschema

De aanbeveling van de BBV is om via het zogenaamde renteschema het renteresultaat op het taakveld treasury inzichtelijk te maken.

Omslagrente
Conform BBV voorschriften moet de omslagrente jaarlijks worden herijkt en, indien nodig, aangepast. Uit de laatste actualisatie blijkt dat  de omslag rente is gedaald van 2,5% naar 2%.

Renteschema conform Notitie Rente
2026
(bedragen x € 1.000)
a
De externe rentelasten over de korte en lange financiering
1.482
b
De externe rentebaten (idem)
-/-
14
Saldo rentelasten en rentebaten
1.468
c1
De rente die aan de grondexploitatie
moet worden doorberekend
-/-
210
c2
De rente van project-financiering die aan het
betreffende taakveld moet worden toegerekend
-/-
0
c3
De rentebaat van doorverstrekte leningen indien
daar een specifieke lening voor is aangetrokken (= projectfinanciering)
+
0
-/-
210
Aan taakvelden toe te rekenen externe rente
1.258
d1
Rente over eigen vermogen
0
d2
Rente over voorzieningen
0
Totaal aan taakvelden toe te rekenen rente
1.258
e
De aan taakvelden toegerekende rente (renteomslag)
-/-
1.469
f
Renteresultaat op het taakveld Treasury
-211

2.3 Financieringspositie

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 2.3 Financieringspositie

Voor de financiering van de investeringen passen wij totaalfinanciering toe. Dit betekent dat niet voor iedere investering 1-op-1 een lening wordt aangetrokken. Voor de investeringen maken wij gebruik van meerdere financieringsbronnen. Deze bronnen zijn primair het eigen vermogen en de langlopende schulden. Voor de programmabegroting is een liquiditeitsprognose opgesteld. Het uitgangspunt voor deze prognose zijn de bedragen (exploitatie en investeringen) die zijn opgenomen in deze begroting. Op basis hiervan is bepaald of extra leningen moeten worden aangetrokken en welke gevolgen dit heeft voor de rentekosten. Dit resulteert in onderstaande prognose:

Uit de liquiditeitsprognose volgt de verwachting dat we de komende jaren onderstaande leningen dienen aan te trekken. Als planningen van bestaande projecten en investeringen wijzigen dan heeft dit direct gevolg op de financieringsbehoefte per jaarschijf.

Liquiditeitsprognose (x € 1.000)
2026
2027
2028
2029
(1)
Kasstroom operationele activiteiten
-1.462
5.435
2.585
3.742
(2)
Kasstroom investeringsactiviteiten
-13.059
-17.487
-5.207
-4.067
(3)
Kasstroom financieringsactiviteiten
14.521
10.803
2.288
-1.436
(4)
Netto kasstroom = (1) + (2) + (3)
0
-1.249
-334
-1.761
(5)
Beginsaldo rekening-courant
1.000
1.000
-249
-583
(4)
Netto Kasstroom
0
-1.249
-334
-1.761
(6)
Eindsaldo (5) + (4)
1.000
-249
-583
-2.344
Nr.
Financieringsbehoefte
2025
2026
2027
2028
2029
(bedragen x € 1.000)
1)
Kasstroom uit operationele activiteiten
7.918
-1.462
5.434
2.585
3.742
2)
Kasstroom uit investeringsactiviteiten
-13.146
-13.059
-17.487
-5.207
-4.067
3)
Kasstroom uit huidige financieringsactiviteiten
-481
0
-1.406
-1.405
-1.406
4)
Financieringsbehoefte (-) c.q. overschot (+)
-5.709
-14.521
-13.459
-4.027
-1.731
5)
Financiële tegoeden < 1jaar (per 01-01)
30.164
0
0
0
0
6)
Restant financieringsbehoefte (-) c.q. overschot (+)
24.455
-14.521
-13.459
-4.027
-1.731
7)
Overige vlottende middelen
1.009
1.009
1.009
1.009
1.009
8)
Netto vlottende schuld
-25.464
-10.943
2.516
6.543
8.274
9)
Begrotingstotaal
72.889
76.050
76.089
73.051
72.697
10)
Kasgeldlimiet
6.196
6.464
6.468
6.209
6.179
11)
Nieuw aan te trekken leningen
0
0
0
334
1.761

2.4 Balansprognose

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 2.4 Balansprognose

De geprognosticeerde balans is bedoeld om meer inzicht te geven in de financieringspositie en de ontwikkeling van het EMU-saldo. Dit levert het volgende beeld op:

Geprognosticeerde balans (x € 1 mln)
2026
2027
2028
2029
Activa
(Im)materiële vaste activa
75.738
89.638
91.046
91.135
Financiële vaste activa
1.033
1.033
1.033
1.033
Vlottende activa
25.357
14.680
14.891
14.891
Totaal
102.128
105.351
106.970
107.059
Passiva
Eigen vermogen
31.359
32.297
31.139
30.556
Voorzieningen
4.550
4.716
4.871
5.218
Vaste schulden
49.771
48.365
47.294
47.649
Vlottende passiva
16.448
19.973
23.666
23.636
Totaal
102.128
105.351
106.970
107.059

2.5 EMU-saldo

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 2.5 EMU-saldo

De Wet Houdbare overheidsfinanciën (hof) bevat de bepaling dat het Rijk en de decentrale overheden een gezamenlijke en gelijkwaardige inspanningsplicht hebben om de Europese begrotingseisen te respecteren (maximaal 3% tekort van bruto binnenlands product). Dit wordt gemonitord via het zogenaamde EMU-saldo. Dit is gebaseerd op werkelijke kasstromen en niet op baten en lasten. Zie onderstaande tabel:

EMU-saldo
2026
2027
2028
2029
(x € 1.000)
1
Exploitatiesaldo vóór toevoeging aan c.q. onttrekking uit reserves (zie BBV, artikel 17c)
-699
938
-1.158
-583
2
Mutatie im(im)materiële vaste activa
10.072
13.900
1.408
89
3
Mutatie voorzieningen
-314
166
155
347
4
Mutatie voorraden (incl. bouwgronden in exploitatie)
3.436
-743
211
0
5
Boekwinst bij verkoop van deelnemingen en aandelen
0
0
0
0
Berekend EMU-saldo
-14.521
-12.053
-2.622
-325

3. Risicobeheer

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 3. Risicobeheer

3.1 Renterisico vlottende schuld (kasgeldlimiet)

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 3.1 Renterisico vlottende schuld (kasgeldlimiet)

Een belangrijk uitgangspunt van de Wet fido is het vermijden van grote fluctuaties in de rentelasten. Teneinde een grens te stellen aan de korte financiering (rentetypische looptijd tot één jaar) is in de Wet fido de kasgeldlimiet opgenomen. De kasgeldlimiet wordt berekend als een percentage (8,5%) van het totaal van de begroting van de gemeente bij aanvang van het jaar. In onderstaande tabel volgt de ontwikkeling van de kasgeldlimiet.

Toets kasgeldlimiet (x € 1.000)
2026
2027
2028
2029
1.
Toegestane kasgeldlimiet
Begrotingstotaal lasten
76.050
76.089
73.051
72.697
In procenten van de grondslag
8,50%
8,50%
8,50%
8,50%
In bedrag
6.464
6.468
6.209
6.179
2.
Vlottende korte schuld
Opgenomen gelden < 1 jaar
Schuld in rekening courant
Gestorte gelden door derden < 1 jaar
Totaal
-
-
-
-
3.
Vlottende middelen
Contante gelden in kas
Tegoeden in rekening-courant
1.000
0
0
0
Overige uitstaande gelden < 1 jaar
9943
1009
1009
1009
Totaal
10.943
1.009
1.009
1.009
4.
Totaal netto vlottende schuld (2) - (3)
-10.943
-1.009
-1.009
-1.009
Toegestane kasgeldlimiet (1)
6.464
6.468
6.209
6.179
Ruimte (+) Overschrijding (-) = (1) - (4)
17.407
7.477
7.218
7.188

3.2 Renterisico vaste schuld (renterisiconorm)

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 3.2 Renterisico vaste schuld (renterisiconorm)

De renterisiconorm is ingesteld om de rentegevoeligheid van de leningenportefeuille met een rentetypische looptijd van langer dan een jaar te beperken. De renterisiconorm wordt berekend door een vastgesteld percentage (20%) te vermenigvuldigen met het begrotingstotaal. Het renterisico heeft betrekking op de vaste schuld en op het bedrag waarover renterisico wordt gelopen. Naast de renteherzieningen zijn hiervoor ook de herfinancieringen van belang, want het renterisico wordt verkleind door aflossingen in de tijd te spreiden. In onderstaande tabel wordt de renterisiconorm vergeleken met het renterisico:

Renterisiconorm (x € 1.000)
2026
2027
2028
2029
1a
Renteherziening op vaste schuld o/g
0
0
0
0
1b
Renteherziening op vaste schuld u/g
0
0
0
0
1.
Netto renteherziening op vaste schuld (1a - 1b)
0
0
0
0
2.
Te betalen aflossingen
0
1.406
1.405
1.406
3.
Renterisico (1 + 2)
0
1.406
1.405
1.406
4a
Begrotingstotaal lasten
76.050
76.089
73.051
72.697
4b
Het bij ministeriële regeling vastgestelde % van de tot. begroting
20%
20%
20%
20%
4.
Renterisiconorm
15.210
15.218
14.610
14.539
5a
Ruimte onder renterisiconorm (4 > 3)
15.210
13.812
13.205
13.133
5b
Overschrijding renterisiconorm (3 > 4)
0
0
0
0

3.3 Krediet- beleggingsrisico

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 3.3 Krediet- beleggingsrisico

Het kredietrisico is het risico dat de tegenpartij niet aan haar contractuele verplichtingen kan voldoen en dus aan de gemeente zijn verstrekte lening niet terugbetaalt. In 2021 heeft de raad besloten om een zogenoemde ‘reverse converteerbare hybride obligatielening’ van € 675.000 te verstrekken aan Alliander N.V.  Op deze lenning vindt geen aflossing plaats.

Verstrekte leningen
x (€ 1.000)
2026
2027
2028
2029
Bibliotheek
0
0
0
0
Alliander
675
675
675
675
Totaal
675
675
675
675

3.4 Kredietrisico waarborgen en garanties

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 3.4 Kredietrisico waarborgen en garanties

Borgstellingen kunnen op twee manieren voorkomen:

  1. Directe borgstelling
  2. Achtervang

Bij directe borgstelling staat de gemeente jegens geldgevers borg voor de betaling van rente en aflossing op langlopende geldleningen die door lokale organisaties, instellingen of verenigingen zijn aangetrokken die veelal activiteiten verzorgen welke in het verlengde liggen van de gemeentelijke publieke taak.

Achtervang houdt in dat de gemeente, al dan niet samen met het Rijk, een rol speelt in de zekerheidsstructuur van een waarborgfonds, bijvoorbeeld de Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW). Door deze structuur kunnen instellingen die bij een waarborgfonds zijn aangesloten tegen de laagste rente lenen. Mede vanwege de strenge toelatingscriteria en periodieke toetsing door het fonds loopt de gemeente hierbij een veel lager risico dan bij directe borgstellingen.

Als het misgaat met een woningcorporatie (bijvoorbeeld rente en aflossing worden niet meer betaald en de borg dreigt te worden aangesproken), zijn er verschillende vangnetten en buffers in het garantiestelsel:

  • Primaire zekerheid: De financiële middelen van de corporatie
  • Secundaire zekerheid: de borgstellingsreserve van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW)
  • Tertiaire zekerheid: de achtervangpositie van Rijk en gemeenten. Alleen indien voorgaande zekerheden ontoereikend zijn, moeten Rijk en gemeenten op verzoek van WSW renteloze leningen aan WSW verstrekken.

De kans dat onze gemeente als achtervang wordt aangesproken is bijzonder klein.

Waarborgen en garanties x (€ 1.000)
2026
2027
2028
2029
A
Instellingen / verenigingen
68
34
-
-
B
WSW leningen 50% borgstelling
4.000
4.000
4.000
4.000
WSW leningen nieuwe regeling
25.170
25.170
25.170
25.170
D
HVC
5.161
5.161
5.161
5.161
F
Hypotheken
996
996
996
996
Totaal
35.395
35.361
35.327
35.327